Informatie springen

Technieken van de springonderdelen

Per onderdeel wordt hieronder kort ingegaan op de technieken. De algemene basis wordt hier uitgelegd, voor de uitgebreidere specifieke uitleg zou ik zeggen: kom mee doen! Onderstaande teksten zijn gemaakt door de trainers. De tekst van het Polstokspringen is overgenomen uit het opleidingsplan Polstokspringen van de atletiekunie.

Verspringen

Verspringen

Hinkstapsprong

HinkStapSprong

Hoogspringen

Hoogspringen

Polstok

Polstokspringen

De 20 geboden voor een perfecte polsstoktechniek!

 

De springer

1. Wees groot

Topspringers die hoger dan 5.80m. Gesprongen hebben zijn over het algemeen vrij groot. Bij het

polsstokspringen zijn grotere atleten bevoordeeld. De meeste topsprin-gers zijn groter dan 1.84m.

Nochtans zijn er uitzonderingen. Korry tarpenning, joe dial, thierry vigneron, greg duplantis, philippe

collet sprongen allen hoger dan 5.80m. En waren allemaal kleiner dan 1.80m.

2. Wees snel!

Uitstekende sprintcapaciteiten zijn noodzakelijk om succesvol te kunnen polsstok-springen.

Topspringers halen snelheden van 9,5m/sec. Tijdens de laatste aanlooppassen. Niet alle snelle

springers zijn topspringers maar alle topspringers zijn snel.

3. Spring voor meerdere jaren...!

Topspringers zijn ervaren springers. De meeste springers springen meer dan 15 jaar voor zij de echte

top bereikten. Polsstokspringen is een zeer moeilijke discipline om volledig te beheersen. Het vergt

veel tijd om dit te leren en zelfs jaren om bedreven te zijn in deze atletiekdiscipline. De meeste

elitespringers bereikten hun top op een leeftijd van 25 en 30 jaar. Earl bell sprong zijn persoonlijk

record van 5.86m. Toen hij 32 was. Hij werd 4e op de olympische spelen in atlanta op een leeftijd van

33 jaar. Hij bereikte deze topprestaties na meer dan 20 jaren ervaring en training.

 

Het materiaal

4. Gebruik een hoge greephoogte aan een harde polsstok

Topspringers gebruiken hoge greephoogten aan harde polsstokken. Elitespringers gebruiken een

greephoogte van minimaal 4.90m. De stokken die ze gebruiken zijn 5.00m (16’5”) lang of zelfs langer.

De flexnummers van de gebruikte polsstokken zijn 15.0 cm. Of minder. Dit duidt op polsstokken te

gebruiken door springers met een lichaamsgewicht van 90kg. (198 lbs) of meer!

5. Gebruik een polsstok waarbij je de palen achteraan kan plaatsen

Topspringers plaatsen hun palen 55cm. Diep of zelfs verder achter het nulpunt van de insteekbak, dit

om hun veiligheid te optimaliseren.

 

De aanloop

6. Wees snel

zie punt 2 hierboven.

7. Vertraag niet tijdens de laatste drie passen!

Elitespringers kunnen hun snelheid tijdens de laatste aanlooppassen aanhouden en zelfs versnellen.

Topspringers vergroten hun snelheid van de voorlaatste naar de laatste aanlooppas voor hun afzet.

Veel springers, zelfs sommige topspringers, vertragen nog tijdens de laatste drie passen. Dit moet

vermeden worden. Zorgen dat je de polsstok dynamisch en tijdig plant, op de exacte plaats afzet met

een juiste lichaamshouding op het moment dat de polsstok de achterwand van de insteekbak raakt,

zijn factoren die het pasritme tijdens de laatste passen kunnen verstoren en vertragen.

Vele trainingsuren en oefendrills zijn noodzakelijk voordat een springer kan versnellen of zijn snelheid

kan aanhouden tijdens de laatste passen van zijn aanloop.

8. Gebruik een langere voorlaatste pas en een kortere snelle laatste pas

De meeste polsstokspringers, top- of recreantspringers gebruiken een langere voorlaatste en een

kortere, snellere laatste aanlooppas. Voor de meeste topspringers bedraagt de lengte in afstand

tussen laatste en de voorlaatste aanlooppas, 0.90 tot 0.95cm. Het pasritme neemt toe tijdens de

laatste pas zodat de snelheid niet afneemt ondanks een kleinere en kortere laatste pas. Elitespringers

gebruiken een kortere paslengte waardoor de pasfrequentie toeneemt zodanig dat de snelheid tijdens

de laatste pas voor de afzet nog kan verhogen.

 

Planten en afzetten

9. Aanhouden van een rechte positie

Topspringers zijn groter bij de afzet en het planten van de polsstok. Minder getrainde springers leunen

achterwaarts tijdens deze fase. Dit heeft een negatief effect op de afzetsnelheid. Het heeft een

nadelige invloed op de “maximale insteekhoek” tussen de polsstok aan de aanloopbaan.

10. Maximaliseer de insteekhoek tussen de polsstok en de aanloopbaan

tijdens de afzet

Dit verkleint de insteekhoek waarrond de polsstok moet roteren om tot een verticale positie te komen.

Het laat tevens een efficiëntere energietransfer in de polsstok toe. Als de greep-hoogte aan de

polsstok toeneemt, verkleint de insteekhoek. Topspringers hebben dus een kleinere insteekhoek dan

minder getrainde springers. Deze insteekhoek hangt tevens af van de lengte van de springer. Een

grotere polsstokspringer zal mogelijkerwijze een grotere insteek-hoek hebben. Elitespringers hebben

tijdens het planten een insteekhoek van minder dan 30°. Deze vergroot lichtjes tussen het moment

van planten en afzetten.

11. Houdt je lichaam aangespannen tijdens het planten

Het planten is het begin van de energietransfer welke een springer overbrengt in de polsstok. Indien

het lichaam “vormloos” is, zal de energie welke als transfer zou moeten omgezet worden in de

polsstok, verloren gaan in de vorm van ontspannen spieren en pezen. Voorrek en aanspannen van de

spieren in de borst, schoudergordel en armen zal dit energieverlies minimaliseren.

12. Plant zo hoog mogelijk

Plant en afzet Wout van Wengerden.

De bovenste hand plaats je zo hoog mogelijk boven het hoofd. Deze arm moet maximaal, zo hoog

mogelijk gestrekt zijn. Dit bevordert de insteekhoek bij het planten. (zie 10 hierboven).

Merkwaardig is dat het strekken van de bovenste “plantarm” bij topspringers dikwijls minder is dan bij

minder getrainde polsstokspringers. Misschien is de voorrek in de spieren van de schoudergordel en

de armen (zie 11 hierboven) oorzaak dat topspringers het strekken van de plantarm verminderen.

13. Plant de polsstok loodrecht ten opzichte van je afstootvoet

Op het ogenblik van de plant (het moment dat de polsstokdop voor het eerst de achterkant van de

insteekbak raakt) moet de bovenste hand loodrecht staan ten opzichte van de bal van de voet. Deze

actie plaatst de springer in een perfecte positie voor een optimale energietransfer in de polsstok. Dit

betekent ook dat op het moment van de afzet, de tophand zich voor de afzetvoet bevindt zodat de

tophand voorwaarts beweegt als de stok begint te buigen. De meeste polsstokspringers plaatsen hun

afzetvoet voor hun bovenste hand tijdens het planten. Topspringers plaatsen hun afzetvoet loodrecht

onder hun tophand.

14. Plant de polsstok wanneer je op je tenen staatPlant de polsstok niet wanneer je nog op de hiel van je afzetvoet staat. De timing van de plant

(het moment dat de polsstokdop de achterkant van de insteekbak raakt) is zeer belangrijk. De

volgorde van handelingen gebeurt als volgt: de afzetvoet raakt de grond (touch-down), de

polsstok raakt de achterkant van de insteekbak (pole-plant), en de afzetvoet verlaat de grond

(take-off). Deze actie duurt bij topspringers 0.08-0.12 sec. (totale tijd van afrollen van de voet

tijdens de afzet). Voor topspringers gebeurt het planten tijdens het tweede gedeelte van de

steunfase, korter bij het moment dat de afzetvoet de grond verlaat. Dit duidt aan dat zij zeer

actief van de grond afzetten. Zij staan ” op de tenen “ wanneer zij de polsstok planten en

duwen tegelijkertijd de polsstok zeer actief op- en voorwaarts in de richting van de lat. Indien

het planten plaats vindt tijdens het eerste gedeelte van de afzet, korter bij het moment van de

voetplaatsing zal de springer niet in staat zijn de polsstok actief opwaarts en voorwaarts te

duwen of te planten. De springer zal van de grond getrokken/gerukt worden door de polsstok.

De timing van het planten is gekoppeld aan de positie van de afzetvoet en de strekking van de

plantarm.

15. Spring voor-opwaarts bij de afzet

Een snelle afzet is noodzakelijk om hoog te springen. Topspringers hebben een afzetresultante met

een snelheid van meer dan 8.0m/sec. De resultante bij een afzet bestaat uit een horizontale

(voorwaartse) en een opwaartse (verticale) snelheid.

De horizontale afzetsnelheid komt tot stand door een snelle aanloop. De verticale snelheid komt tot

stand door een afzet die opwaarts gericht is. Topspringers hebben een horizontale afzetsnelheid van

meer dan 7.7m/sec. en een verticale afzetsnelheid van 2.2m/sec. Topspringers hebben een afzethoek

tussen 14° en 19°. Afzethoeken die kleiner zijn, kunnen de oorzaak van een polsstokbreuk zijn.

 

Buigfase van de polsstok

16. Start het buigen van de stok met druk van de onderste arm

Deze actie begint bij het planten van de polsstok en duurt slechts kort tijdens de zwaai- en pendelfase,

ongeveer 0.20 sec. na de afzet. De kracht uitgeoefend door de onderste arm zal grotendeels afnemen

nadat de polsstok gebogen is.17. Houdt de buiging in de stok door hangen en zwaaien rond de bovenste

handgreepDe kracht uitgeoefend door de handen in neerwaartse zin richting insteekbak en uiteinde van de

polsstok is een samengebundelde kracht welke in de eerste plaats de polsstok doet buigen. Des te

groter deze kracht is en hoe verder deze kracht van het polsstokeinde uitgeoefend wordt, des te

makkelijker de stok zal buigen. Daarvoor zal de springer proberen te pendelen rond zijn bovenste

hand om te verzekeren dat deze kracht uitgeoefend op de polsstok, zo groot mogelijk is. Sommige

trekkrachten zullen uitgeoefend worden door de onderste arm na de eerste initiële druk bij het begin

van de stokbuiging. Deze trekkrachten helpen de springer om zijn lichaam zo snel mogelijk opwaarts

te roteren.

 

Strekfase van de polsstok

18. Laat de trekkrachten van de zich strekkende polsstok door de onderste arm lopen

Tijdens de strekfase van de polsstok wordt de springer opwaarts gecatapulteerd door een kracht

uitgeoefend door de stok die verloopt door de handgreep. Als de polsstokspringer meer van deze

krachten door zijn onderste handgreep laat lopen zal de polsstok zich meer als een hardere stok

gedragen.

Dit zal de streksnelheid van de polsstok vergroten met als gevolg dat de springer krachtiger opwaarts

zal gecatapulteerd worden.19. Houd je heupen en zwaartepunt dicht bij of achter de polsstok bij het

strekken na de inrolfase naar een i-positie.Toestaan dat het zwaartepunt van de springer de polsstok voorbijsteekt terwijl hij zich aan de stok in

opwaartse zin uitstrekt, creëert men een moment waardoor de polsstokspringer stopt met inrollen rond

zijn handgreep. Benen en bovenlichaam vallen dood terug en draaien zich richting lat.

 

Loskomen en latoverschrijding

20. Land veilig op het polsstokbed.Polsstokspringers die veilig landen hebben meer plezier en zijn in staat opnieuw te springen.